Practicum bijenteelt
Situering en doelstellingen
1. Situering
 

Er is een steeds groter wordende maatschappelijke interesse in natuurbehoud en het nut van honingbijen wordt hierin ook sterk herondekt.


Een gevolg is dat het houden van bijen steeds meer mensen aanspreekt en dus gaan ze over tot het volgen van initiatiecursussen, wat deels het succes van onze scholingsactiviteiten verklaart.


Echter, er zijn bijna zoveel imkersmethoden als er imkers zijn, en voor een pas opgestarte imker die net een basisopleiding achter de rug heeft, is het bos vaak onzichtbaar tussen de vele bomen.


Bijenvolken sterven nog steeds aan een abnormaal hoog percentage; vooral in het najaar en het vroege voorjaar. In het kader van de strijd hiertegen staan imkers met hun beide voeten dagdagelijks in de natuur en ook voor hen is het belangrijk dat chemische bestrijding van een aantal bijendoders zoveel mogelijk beperkt wordt of zelfs helemaal kan worden vermeden.


Het is onze overtuiging dat een belangrijk gedeelte van het antwoord hierop ligt in het aanleren aan pas begonnen imkers van een éénduidige en gestandaardiseerde werkmethode.


De door ons gekozen werkmethode steunt op het rotatieprincipe zoals dat door o.a. het Nedersaksiche bijeninstituut van Celle (D) ontwikkeld is. Deze methode is straks 20 jaar “oud” en heeft haar deugdelijkheid ondertussen bewezen. Onder Vlaams-Brabantse imkers is ze echter nauwelijks gekend.


In nauwe samenwerking met Celle heeft Dr. Boecking een aantal belangrijke innovaties in de methode aangebracht, waarbij de methode een stuk toegankelijker geworden is voor de modale imker.


Op 1 oktober 2016 heeft Dr. Boecking op het Vlaams Imkerscongres in Leuven een voordracht gegeven waarin hij de aanpassingen aan de rotatiemethode die hij voorstaat toegelicht heeft.


2. Doelstellingen
 
  1. Een bedrijfsmethode aanleren die nauw aansluit met de dagdagelijkse imkerspraktijken zoals ze in onze vereniging en in onze provincie in voege zijn.
  2. Bijenvolken behoeden voor een hoge varroadruk tijdens het ganse jaar.
  3. Zwermen voorkomen
  4. Jaarllijks nieuwe koninginnen op de kasten brengen.
  5. De methode is niet behandelingsvrij, maar behandeling wordt enkel ingezet op broedloze volken, buiten het honingdrachtseizoen.
  6. De ingezette middelen zijn van nature in ons leefmilieu aanwezig, zijn biologisch afbreekbaar en werken niet systemisch.
 
Het rotatieprincipe van Celle
 
In 1998 verscheen een artikel in het Duitse bijentijdschrift “Deutsche Bienen Journal”.
De wetenschappers prof. dr. J.H. Dustmann, H. en E. Schönberger, allen verbonden aan het Nedersaksische bijeninstituut gevestigd te Celle beschreven hierin in detail een bedrijfsmethode die ze de “Rotatiemethode” noemden.
Ze wilden hiermee de toenemende problematiek van bijensterfte een halt toeroepen.
Vrij snel kreeg de methode weerklank in grote delen van Duitsland, maar ook in de Angelsaksische wereld, omdat ze goed integreerbaar is met andere aspecten van het imkeren zoals zwermverhindering, koninginnenkweek en vermeerdering van volken in het algemeen.
In haar 18-jarig bestaan is de methode door anderen aangepast, zodat er nu een waaier aan verschillende rotatiemethoden bestaat, die in essentie steeds terug te voeren zijn tot dezelfde principes en éénzelfde aanpak.
Bij haar ontstaan waren de oorzaken van de bijensterfte grotendeels onbekend, maar er waren toen al vermoedens waar het mis ging. Op de meest voor de hand liggende grondoorzaken biedt de methode dan ook een antwoord:
  1. Varroabesmetting laag houden en de herbesmetting met varroa van behandelde volken voorkomen.
  2. Blootstelling aan pesticiden aan banden leggen.
  3. Invloed van andere ziektekiemen zoals broedziekten (AVB, EVB) controleren.
De methode wordt rotatiemethode genoemd, omdat men kunstzwermen laat uitgroeien tot volwaardige volken tijdens jaar 1, waarbij op het einde van het jaar de eigenlijke productievolken opgeruimd worden en waarbij in jaar 2 de ondertussen uitgegroeide kunstzwermen de rol van productievolken overnemen.
 
Hoe toe te passen voor een modale imker in Vlaanderen ?
 
Op het eerste zicht lijkt dit simpel en overal toepasbaar.
De wetenschappers prof. dr. J.H. Dustmann, H. en E. Schönberger, allen verbonden aan het Nedersaksische bijeninstituut gevestigd te Celle beschreven hierin in detail een bedrijfsmethode die ze de “Rotatiemethode” noemden.
Echter, diegene die ermee aan de slag gaat, ontdekt al gauw dat er een aantal voorwaarden te vervullen zijn die het allemaal net iets moeilijker maken en misschien voor een beginnend imker een afknapper inhouden.
De methode zoals ze origineel geïntroduceerd werd, heeft met name omwille van de hieronder opgelijste zwakke punten niet het succes gekend dat ze verdient.
Dr. Boecking heeft op het Vlaamse Imkerscongres op 1 oktober 2016 deze punten aangehaald en er een oplossing voor aangereikt.
1. Klimaatafhankelijkheid.
De methode was in de eerste plaats bedoeld voor de Nedersaksische situatie. Nedersakesen ligt in centraal Duitsland en kent een klimaat dat meer naar een landklimaat neigt: Strengere winters en dus een latere voorjaarsontwikkeling. Voorjaarsdracht is hoofdzakelijk koolzaad; ca 1 maand later dan onze klassieke fruitdracht. Zwermontwikkeling is er dan ook beduidend later dan bij ons.
De timings voorgedragen in de oorspronkelijke tekst brengt daardoor een Belgisch imker steevast in de problemen.
2. Combinatie met koninginneteelt.
Dit punt heeft voor een stuk ook met timing te maken. Het maken van de kunstzwerm na de voorjaardracht zoals voorgesteld in de rotatiemethode begin juni is te laat voor onze contreien om zwermen onder controle te houden. Doen we dit op een vroeger tijdstip, dus aangepast aan onze situatie, dan is het ter beschikking hebben van een koningin op dat moment niet evident.
3. Herbesmetting.
De methode maakt gebruik van twee standen, nl één voor de produktievolken en een aparte voor de kunstzwermen; en dit om herbesmetting met varroa door vervliegen tegen te gaan. Niet elke imker in Vlaanderen kan over twee standen beschikken.
 
Algemeen kan men stellen dat de opdracht van dit practicum erin bestaat om het rotatieprincipe om te zetten in een volwaardige bedrijfsmethode, met inachtname van de door Dr. Boecking voorgestelde innovaties.
 
Algemeen overzicht
 
Combinatie met koninginnenkweek (1)
 
 
Combinatie met koninginnenkweek (2)
 
 
Een klassieke kunstzwerm maken
 
Een (nood) behandelingsconcept (1)
 
 
Een (nood) behandelingsconcept (2)
 
 
Wanneer behandelen ?
 
Ondersteunen van kleine volken in de lente
 
Concept
In samenwerking met het Vlaams-Brabantse privinciebestuur richt het VBVI op Vlaams-Brabants grondgebied 4 bijkomende praktijkstanden op.
We hebben ervoor gekozen om de praktijkstanden zo goed mogelijk te verspreiden over het ganse grondgebied. De standen worden opgericht op de volgende lokaties:
  1. Merchtem
  2. Kortenberg
  3. Baal/Tremelo
  4. Huldenberg
Deze standen worden voorzien met materiaal om over een gans bijenjaar in 10 lessen de ganse werkmethode aan beginnende imkers uit te leggen.
Op deze manier kunnen ze een gans jaar onder begeleiding van een ervaren lesgever zich de methode eigen maken.
 
Naast deze bijkomende standen beschikt het VBVI al een praktijkstand in Heverlee/Leuven (Abdij van’t Park) en een stand in Zoutleeuw (Provinciaal domein Het Vinne)
De methode zal uitgewerkt worden in een cursusreeks, waar met behulp van schema’s op een overzichtelijke manier de ganse werkmethode weergegeven wordt.